|
Nasos Vayenás --
Barbaarse oden
Een van de belangrijkste Griekse dichters van de laatste twintig jaar is Nasos
Vayenás (geb. 1945). In zijn laatste bundel, Barbaarse oden (1992), `bezingt'
hij de maan, de nacht, het duister, maar vooral de vrouw, de liefde en ook de
poëzie. Dit zijn voor hem `kieren in het niets', waardoor hij toch nog vóórtkan,
nadat hij in zijn vorige bundels had vastgesteld dat hij het stellen moet `met
wat overschoot'.
`Barbaarse poëzie' is een
aanduiding voor pogingen, in de vorige eeuw, om klassieke metra en strofenbouw (Sappho,
Alcaeus) tot leven te brengen in de moderne talen. Vayenás hanteert dit begrip
op een eigenzinnige manier, die weinig van doen heeft met de traditionele poëzie
en alles met de moderne; tegelijk is zijn aanpak kenmerkend voor de eisen van
weldoordachtheid die hij ook aan moderne poëzie stelt.
Meer over de bundel in de
inleiding van deze uitgave. De vertaling is van de hand van Marko Fondse en Hero
Hokwerda, die enkele jaren eerder reeds een uitvoerige keuze uit Vayenás'
eerdere poëzie presenteerden, onder de titel Biografie en andere gedichten
(Amsterdam, 1990, Het Griekse Eiland).
Nasos Vayenás, Barbaarse oden (vertaling Marko Fondse en Hero Hokwerda [tevens
inleiding], 1997, ISBN 90 5693 016 8, XIV + 64 p.) [€13,50]
|